Uw zorg

Supraregionaal traumacentrum UZA vangt 220 traumapatiënten op

In 2021 ving het UZA meer dan 220 traumapatiënten op, waarvan 150 zeer ernstig gekwetste slachtoffers na ongevallen. Het gaat om patiënten met bekkenbreuken, amputatie- of orgaanletsels. De sterke regionale samenwerking van de hele zorgketen verhoogt de overlevingskansen: het sterftecijfer na trauma daalde in 2021 met 3,9% ten opzichte van 2018.

Opnieuw erkend

In februari 2022 erkende de Deutsche Gesellschaft für Unfallchirurgie (DGU) het UZA opnieuw als supraregionaal traumacentrum voor volwassenen en kinderen. Daarmee voldoet het UZA aan de strengste internationale standaarden om de zwaarst gekwetste slachtoffers na ongevallen op te vangen en te behandelen. Het UZA kreeg deze erkenning voor het eerst in 2018.

Als erkend traumacentrum voorziet het UZA interne opleiding, aangepaste infrastructuur, interdisciplinaire teams, en een hooggespecialiseerd, innoverend evidence-based zorgprogramma van opname tot re-integratie. Het UZA centraliseert traumazorg rond de patiënt, zowel in de acute als postacute fase.

Antwerps Trauma Netwerk

Het UZA maakt ook deel uit van het Antwerps Trauma Netwerk. Door netwerkoverschrijdend samen te werken met zorgverleners uit de brede regio, wil het UZA de opvang en zorg voor traumapatiënten blijven verbeteren.

Dr. Philip Verdonck, coördinator traumacentrum: ‘De daling van het sterftecijfer benadrukt het belang van samenwerking tussen alle zorgpartners, zowel in het traumacentrum als regionaal. We doen dit door expertise te centraliseren en te delen, door samenwerking tussen verschillende ziekenhuizen te faciliteren en in dialoog te gaan met onze patiënten na hun herstel.’

Coffee-with-the-traumateam

Dr. Verdonck: ‘We nodigen traumapatiënten na hun behandeltraject uit om samen met ons na te denken over wat goed gaat en waar het beter kan. Dat doen we tijdens laagdrempelige terugblikmomenten: coffee-with-the-traumateam. Dankzij de feedback van de patiënten hebben we aanpassingen doorgevoerd in het traject, van nog betere informatie tot aanpassingen aan de infrastructuur.’